Examenopgave 2014-I-6

Een leuke laatste opgave van het examen van 2014. Wat verschillende theorie en toepassingen, verwerkt in een paar compacte vragen.

Kijk maar eens (eerst zelf) hoe ver je hiermee al komt. En weet: met de laatste opgave in het examen (altijd zonder informatiebronnen) hark je misschien nog net die laatst-benodigde puntjes binnen. Voor de 8 die je wilt halen, toch?

Examenopgave 2013-II-6

Tja, een onderwerp dat zomaar voorbij kan komen, op zo’n lentedag in de gymzaal, tijdens het CE van MenO. Vervangingswaarde!

Niet voor iedereen even eenvoudig. Maak de opgave en bekijk het filmpje van start tot finish. Laat je niet door een ‘vreemd’ onderwerp overvallen. Weet dat vervangingswaarde en actuele waarde dezelfde doorwerking hebben.

Hypotheken en afschrijven

Voor deze keer twee heel verschillende onderwerpen. Twee keer vijf minuten van je inzet is voldoende (lezen, nazoeken, rekenen). Als volgt:

1. Zie in het PDF-je een stukje uit de NRC van 6 december 2016. In het dagelijkse spraakgebruik heeft de bezitter van een eigen woning het over ‘mijn hypotheek’, als zij of hij de lening bedoelt die voor de financiering van die woning is afgesloten. Maar is dat wel correct? Wat is een hypotheekrecht precies? En wie is dan wie: geldnemer, geldgever, hypotheeknemer, hypotheekgever, hypotheekhouder? Kijk in je bundel of boek of zoek het na op Wikipedia.

Hypotheken

2. Stel dat een onderneming een vast actief heeft aangeschaft van € 250.000. De verwachte restwaarde is € 40.000, de economische levensduur acht jaar. Men wil elk jaar afschrijven met een vast percentage van de boekwaarde aan het begin van dat jaar. Welk percentage moet dan worden gebruikt? En trouwens, in welke omstandigheden is het passend deze methode van afschrijven te volgen?

Als hint voor het antwoord op vraag 2 hierboven: we zoeken het percentage P. De boekwaarde aan het einde van het eerste jaar is 250.000 maal ((100 -/- P) / 100). Aan het einde van het tweede jaar is de boekwaarde 250.000 maal ((100 -/- P) / 100)^2. Aan het einde van het achtste jaar is de boekwaarde 250.000 maal ((100 -/- P) / 100)^8 en gelijk aan 40.000. Aha, dan moet ((100 -/- P) / 100)^8 gelijk zijn aan 40.000/250.000 ofwel aan 4/25. Doe jij de rest? P = ongeveer 20,45.

Afschrijven en lenen, kosten en liquiditeit

Een relatief kort filmpje met relatief eenvoudig rekenwerk. Luister geconcentreerd en schrijf doorlopend mee, (dus) ook met alle theoretische puntjes, die tussendoor aan de orde komen. Succes!

De opgave is afkomstig uit de bundel ‘Management en Organisatie’ van ‘De Vro(uwe)lijke Economen’, een groep enthousiaste en deskundige vrouwelijke docenten van verschillende Nederlandse scholen.

V.O.F. Buster